Maar de HEERE zei tegen Samuel: Kijk niet naar zijn uiterlijk en ook niet naar de hoogte van zijn gestalte, want Ik heb hem verworpen. Het is namelijk niet wat de mens ziet, want de mens ziet aan wat voor ogen is, maar de HEERE ziet het hart aan. 1 Samuel 16:7.
God neemt de mens niet aan omwille van zijn vaardigheden, maar omdat ze Zijn aangezicht zoeken, en verlangen naar Zijn hulp. God ziet niet zoals de mens ziet. Hij oordeelt niet naar het uiterlijk. Hij onderzoekt het hart en oordeelt rechtvaardig. "Maar Ik zal zien op deze," verkongt Hij, "op de ellendige en verslagene van geest, en wie voor Mijn woord beeft" (Jesaja 66:2).
Hij aanvaardt en communiceert met Zijn nederige en bescheiden volgelingen; want in hen ziet Hij het meest kostbare materiaal, die de test van storm, noodweer, hitte en druk zal weerstaan.
Het doel van ons werk voor de Meester is dat Zijn naam zou verheerlijkt worden in de bekering van zondaars. Zij die God dienen om applaus te ontvangen hebben Gods goedkeuring niet.
De Here gebruikt in het werk van de verlossing vele gaven. In de toekomst zullen gewone mensen gedrongen worden door de Geest van God om hun alledaagse werk te verlaten en uit te gaan om de laatste boodschap van genade te verkondigen. Deze mensen moeten gesterkt en bemoedigd worden, en zo vlug als mogelijk worden voorbereid voor het werk, zodat hun werk met succes kan bekroond worden. Ze werken samen met onzichtbare, hemelse wezens, want ze zijn bereid om zichzelf te geven en gebruikt te worden in de dienst van de Meester. Ze zijn medewerkers met God en hun broeders zouden hen alle succes moeten toewensen, en voor hen bidden wanneer zij uitgaan om de grote opdracht te vervullen. Niemand heeft de autoriteit om dergelijke arbeiders tegen te houden. Ze moeten met het grootste respekt worden behandeld. Geen woord van spot moet over hen gesproken worden die in de onherbergzame streken van de aarde het zaad van het evangelie strooien.
The Review and Herald, July 4, 1907.
This devotional is taken from Ye Shall Receive Power by Ellen G. White.



Reacties